Kind zijn

Ik bekijk haar. Uitgebreid. Hoe ze daar in het hoekje van de bank zit. Duim in haar mond, knuffel in haar andere hand. De plukken haar die ontglipt zijn uit haar vlecht, langs haar gezicht. De plukken waar ze langsheen kijkt naar de televisie. Het is vrijdagmiddag half zes. De schoolweek zit erop en ze komt tot rust daar in dat hoekje.

Ze is fantastisch. Lief, slim. In mijn ogen briljant. Zeg ik als haar moeder. Vanuit mijn beroep weet ik ook dat ze vrij slim is en toch (over)stimuleer ik bewust niks. Ik lees niet verplicht 10 minuten per dag en toen ze afgelopen week ziek was, heb ik haar ervan overtuigd dat ze het “huiswerk” écht niet hoefde te maken.

Ze, in het algemeen doelend op kinderen, moeten al zoveel.

Vroeg op sport bijvoorbeeld. Beginnend met het zwemdiploma en welja tegelijk ook op een andere sport, of twee. Vier jarigen die het hoofd amper boven water kunnen houden, tot ze nét ver genoeg kunnen zwemmen om dat papiertje trots te kunnen showen. Voor de foto, voor sociaal media, voor … de veiligheid. Denk ik, hoop ik. Wij starten bewust met vijf jaar en bij de inschrijving krijg ik een:

Oh gelukkig, ze is al vijf jaar, daar worden we blij van!

Dan kijk ik nog eens naar haar. Ons zes jarige meisje. Dat in de afgelopen maanden heeft leren lezen en rekenen. Ze gaat als een speer. Is wijs en zet door. Ze is misschien wel net zo slim als haar vader en ik laat haar kind zijn. Geen gepush, ook al is het goed bedoeld en zachtaardig pedagogisch gebracht. Ik wil het niet. Bewust.

En terwijl ik kijk, denk ik aan dat jongetje van net 10 jaar, die nu weer “hot news” is. Op zijn zesde naar de middelbare school. Op zijn achtste zijn examen behaald. Nu gestopt met zijn studie aan de TU in Eindhoven. Tien jaar en gestopt met zijn studie. Want? Tijd voor een tussenjaar? Een wereldreis in 10 dagen. Zoiets. Want, we moeten geen tijd verspillen natuurlijk. Het wordt daarom een doorstart in Israël, waarschijnlijk.

Ik oordeel niet, ik vraag mij af.

Mag deze jongen ook in een hoekje van de bank met een duim in zijn mond bijkomen van de week? Gaat hij naar de BSO? Of zit hij na college met zijn studiegenoten in de bieb en aan het eind van de week aan de bar met een biertje?

Is er naast ruimte voor zijn uitstekende cognitieve kwaliteiten, ook ruimte voor zijn sociale vaardigheden? In bomen klimmen met vriendjes, oorlogje spelen, meisjes plagen, voetballen?

Vragen genoeg, allen onbeantwoord. Het enige wat ik voor mijzelf bevestigd krijg, is dat ik ze klein houd.

Met liefde.

Laat een reactie na